Grondwettelijk Hof laat gemeenten en provincies niet langer oordelen over eigen MER-screeningsplichtige projecten

26 Sep 2025

Het Vlaamse Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat wanneer een gemeente of een deputatie (provinciebestuur) initiatiefnemer en aanvrager is van een omgevingsvergunning voor een eigen project waarvoor een milieueffectrapport (MER) verplicht is, de beoordeling en beslissing over de omgevingsvergunningsaanvraag niet door het eigen bestuur mag gebeuren. In die gevallen wordt de bevoegdheid automatisch doorgeschoven naar een hoger bestuursniveau:

  • Is de gemeente initiatiefnemer van een MER-plichtig project, dan wordt de provinciale deputatie bevoegd om te oordelen over de aanvraag.  

  • Is de deputatie zelf initiatiefnemer van een MER-plichtig project, dan wordt de Vlaamse Regering bevoegd.  

Deze regeling was bedoeld om, in lijn met artikel 9bis van de Europese MER-richtlijn (2011/92/EU), belangenconflicten te vermijden en te waarborgen dat de beoordeling van de milieueffecten onafhankelijk en objectief zou verlopen.

Maar wat als de gemeente of depututatie de initiatiefnemer is van een project waarvoor geen MER vereist is, maar slechts een project-MER-screeningsnota? Voor projecten waarvoor een project-MER-screeningsnota moest worden toegevoegd (om te bepalen of een MER nodig was), gold deze automatische doorschuiving naar een hoger bestuursniveau niet. Voor die gevallen voorzag artikel 5 van het Decreet van 19 April 2024 dat de beoordeling van de screeningsnota bij de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar bleef, zelfs als het eigen bestuur de initiatiefnemer van het project was. De Vlaamse decreetgever ging er immers van uit dat de onafhankelijkheid van de omgevingsambtenaar voldoende waarborg bood tegen belangenconflicten.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt nu dat deze regeling ongrondwettig is en vernietigt het voormelde artikel 5.

Het probleem: wie mag oordelen over de MER-screening bij eigen projecten van de overheid?

De kern van het geschil draait om de vraag of een gemeentebestuur of provinciebestuur, wanneer het zelf initiatiefnemer en aanvrager is van een project, ook zelf mag oordelen of voor dat project een milieueffectrapport (MER) moet worden opgemaakt. In de praktijk gebeurt deze beoordeling via een zogenaamde project-MER-screeningsnota, die moet uitwijzen of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.  

Artikel 5 van het Decreet van 19 April 2024 voorzag dat, wanneer een gemeente of provincie haar eigen project indient, de beoordeling van de screeningsnota wordt toevertrouwd aan de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar. De bedoeling was om zo een zekere onafhankelijkheid te waarborgen, zonder de bevoegdheid volledig naar een hoger bestuursniveau (de deputatie of de Vlaamse Regering) te verschuiven.  

Het Grondwettelijk Hof moest zich buigen over de vraag of deze regeling voldoet aan het Europese recht, meer bepaald artikel 9bis van de MER-richtlijn (2011/92/EU). Die bepaling schrijft voor dat de bevoegde instantie haar taken objectief moet uitvoeren en niet in een situatie van belangenconflict mag verkeren. Indien de instantie die beslist ook de opdrachtgever is, moet er een “passende scheiding” zijn tussen de conflicterende functies.

Eerder had de Raad voor Vergunningsbetwistingen in arresten van 6 oktober 2022 (RvVb-A-2223-0108) en 29 juni 2023 (RvVb-A-2223-1037) al geoordeeld dat de huidige Vlaamse regeling onvoldoende waarborgen biedt tegen belangenconflicten, omdat de omgevingsambtenaar deel uitmaakt van het gemeentelijk of provinciaal apparaat en niet over voldoende structurele autonomie beschikt. Het Europees Hof van Justitie bevestigde met een arrest van 8 mei 2025 (C‑236/24) dat deze “passende scheiding” ook geldt voor de screeningfase, en dat de betrokken ambtenaar over “werkelijke autonomie” moet beschikken, wat onder meer inhoudt dat hij eigen administratieve middelen en personeel moet hebben. Met andere woorden: ook bij de beoordeling van de project-MER-screening moet een daadwerkelijke, structurele scheiding worden gegarandeerd tussen de initiatiefnemer van het project en de instantie die zich buigt over de project-MER-screening.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof: Vlaamse regeling schendt het gelijkheidsbeginsel en het Europese recht

Met zijn arrest van 18 september 2025 volgt het Grondwettelijk Hof deze lijn en vernietigt het artikel 5 van het Decreet van 19 april 2024, dat expliciet bepaalde dat de project-MER-screening bij eigen projecten van de gemeente of provincie door de eigen omgevingsambtenaar mocht gebeuren. Het Hof oordeelt dat deze regeling niet voorziet in de vereiste structurele en organisatorische waarborgen voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De omgevingsambtenaar is immers een personeelslid van de aanvragende overheid en beschikt niet over de noodzakelijke “werkelijke autonomie”.  

Gevolgen voor de praktijk: wie is nu bevoegd?

De gevolgen van dit arrest zijn verstrekkend. Voortaan kan een gemeentebestuur of provinciebestuur niet langer zelf, via de eigen omgevingsambtenaar, oordelen over de MER-screening van haar eigen projecten. In lijn met de Europese en Vlaamse rechtspraak zal de bevoegdheid moeten verschuiven naar een hoger bestuursniveau (de deputatie of de Vlaamse Regering), zodat de vereiste onafhankelijkheid en objectiviteit gewaarborgd zijn.

Voor lopende en toekomstige vergunningsaanvragen betekent dit dat een grondige check van de bevoegde instantie noodzakelijk is. Ook vergunningen die reeds zijn afgeleverd op basis van de vernietigde regeling, lopen risico nu zij behept zijn met een onwettigheid. De Vlaamse Regering verzocht het Hof immers om de gevolgen van de bestreden bepaling, zijnde het voormelde artikel 5, te handhaven, maar het Grondwettelijk Hof wees dit verzoek af.  

Conclusie

Dit arrest onderstreept het belang van een strikte scheiding tussen initiatiefnemer van het project en beoordelende instantie bij milieueffectbeoordelingen. Lokale en provinciale besturen doen er goed aan hun toekomstige en lopende projecten hierop af te stemmen. In de nasleep van dit arrest kan verwacht worden dat de Deputaties behoorlijk wat meer werk zullen krijgen, nu verschillende lokale vergunningsdossiers naar dit hogere niveau zullen moeten worden getild. Vanzelfsprekend volgt ons team dit verder op en zijn zij steeds bereid om lokale en provinciale besturen de nodige ondersteuning te bieden of duiding te verschaffen.

Contact us

Tom Villé

Lawyer - Director, PwC Legal BV/SRL

+32 476 86 55 53

Email

Olivier Drooghmans

Lawyer - Senior Managing Associate, PwC Legal BV/SRL

+32 473 53 86 79

Email

Follow us