Kunnen vergunningsvoorwaarden worden bijgesteld in functie van de handhaving? Een analyse van een recent arrest door de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

02 Nov 2023

Onze eerdere newsflash van 7 juli 2023 handelt over de bijstellingsprocedure en de reikwijdte ervan voor omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen, naar aanleiding van een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (verder ‘de Raad’) van 20 april 2023 (RvVB 20 april 2023, nr. RvVb-A-2223-0797). Deze newsflash sluit daarbij aan, handelend over de bijstellingsprocedure met betrekking tot het bijstellen van bijzondere omgevingsvergunningvoorwaarden van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

Recent heeft de Raad zich gebogen over de vraag of een vergunningverlenende overheid bijzondere voorwaarden van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten kan bijstellen op gemotiveerd verzoek van de Afdeling Handhaving van het Departement Omgeving van het Vlaamse Gewest. In deze Newsflash bespreken we de belangrijkste bevindingen van dit arrest van 7 september 2023 (RvVB 7 september 2023, nr. RvVb-A-2324-0013).

De bijstellingsprocedure op gemotiveerd verzoek

De bijstellingsprocedure is in het Omgevingsvergunningsdecreet geregeld in een afzonderlijk Hoofdstuk 6 en verloopt via een geëigende procedure. De bevoegde overheid start, zoals bepaald in artikel 82 Omgevingsvergunningsdecreet, de bijstellingsprocedure ambtshalve op via een “gemotiveerd initiatief” of op “gemotiveerd verzoek” van volgende partijen:

  1. De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale omgevingsvergunningscommissie of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie als gevolg van een evaluatie die zij hebben uitgevoerd (cf. artikel 5.4.11 van het Decreet Algemeen Milieubeleid of DABM);

  2. Het betrokken publiek;

  3. De toezichthouder (cf. titel XVI van het DABM)

  4. De leidend ambtenaar van een adviesinstantie die is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen;

  5. De leidend ambtenaar van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

Het arrest van 7 september 2023 handelt over een beslissing van de Vlaamse Regering van 24 mei 2022, waarmee op verzoek van de Afdeling Handhaving van het Departement Omgeving bijkomende bijzondere milieuvoorwaarden werden opgelegd voor de exploitatie van een mestverwerkingsbedrijf.

Feitelijke context van het arrest

Op 12 juli 2021 vroeg de Afdeling Handhaving om een aanpassing van de specifieke voorwaarden van de milieuvergunning van 5 januari 2012 (verleend volgens de oude procedure voorzien in het Milieuvergunningsdecreet) van een bedrijf gespecialiseerd in het verwerken van dierlijke mest tot champignoncompost. De Afdeling Handhaving verzocht meer bepaald een toevoeging van enkele bijzondere voorwaarden, naar eigen zeggen, om de opvolging aan te scherpen en de handhaafbaarheid te verhogen bij de exploitatie van de betreffende mestverwerkingsinstallaties.

In het verleden zijn verschillende bestuurlijke maatregelen genomen ten aanzien van het bedrijf. Ook de Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij heeft na een bedrijfsdoorlichting bestuurlijke maatregelen opgelegd. 

De bijstelling van de vergunningsvoorwaarden op verzoek van de Afdeling Handhaving van het Departement Omgeving is in eerste aanleg, op 2 december 2021, goedgekeurd door de deputatie van de provincie Limburg. De vergunninghouder ging in beroep tegen deze aanpassing bij de Vlaamse Regering, die de aanpassing ook in laatste aanleg goedkeurde met de beslissing van 24 mei 2022.

Beoordeling RvVB

De centrale kwestie in het arrest is de vraag of het verzoek van de Afdeling Handhaving met het oog op het verhogen van de handhaafbaarheid, een 'gemotiveerd verzoek' in de zin van artikel 82 van het Omgevingsvergunningsdecreet is. 

De Raad stelt eerst vast dat het Omgevingsvergunningsdecreet of de memorie van toelichting geen duidelijke definitie bevat van wat precies onder een 'gemotiveerd verzoek' moet verstaan worden. Daarom kijkt de Raad naar de doelstelling van bijzondere milieuvoorwaarden en de bijstelling ervan. Gevraagde bijkomende voorwaarden moeten, zoals uitdrukkelijk gestipuleerd in artikel 73 Omgevingsvergunningsdecreet, noodzakelijk zijn voor de bescherming van de mens en het milieu tegen onaanvaardbare risico’s en hinder afkomstig van de exploitatie. 

De motivering van een bijstellingsverzoek moet volgens de Raad afgestemd zijn op deze doelstelling en mag niet uitsluitend ingegeven zijn vanuit andere motieven, zoals het benaarstigen of faciliteren van de handhavingstaak. Hiervoor kunnen de bestaande geëigende instrumenten aangewend worden. Het kan niet de bedoeling zijn om een bijstellingsprocedure aan te wenden voor oneigenlijke motieven. 

De Raad concludeert dat een bijstellingsverzoek van de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten gericht moet zijn op de bescherming van mens en milieu tegen onaanvaardbare risico's en hinder die voortvloeien uit de exploitatie. Het bijstellingsverzoek van de Afdeling Handhaving voldeed volgens het arrest niet aan deze vereiste waardoor de vergunningverlenende overheid had moeten besluiten dat het verzoek onontvankelijk en onvolledig was.

Uit het recente arrest van de Raad volgt dat een bijstellingsprocedure voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten enkel kan worden aangewend in functie van de bescherming van mens en milieu tegen risico’s en hinder. Een gemotiveerd verzoek dat gericht is op het vergemakkelijken van toezicht en handhaving voldoet niet aan deze eis. 

Wij blijven op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen in de regelgeving en rechtspraak binnen het omgevingsrecht.

Contact us

Els Empereur

Advocaat Vennoot / Avocat Associé, PwC Legal BV/SRL

+32 494 57 15 50

Email

Karel Veuchelen

Managing Associate, PwC Legal BV/SRL

+32 479 21 60 66

Email

Follow us